Occult?
Er wordt in de B&O-brochure heel slordig (om niet te zeggen misleidend) omgesprongen met het begrip 'occult'. Het opvoeren van een tovenaar in een roman maakt dat boek nog niet 'occult', want 'occult' is:
- (a) dat wat stamt uit de sfeer van de echte (paranormale en demonische) Geheimwissenschaft, sedert eeuwen gevoed door het heidense denken (ook onder de korst van de christelijke beschaving), en/of:
- (b) dat wat 'occulte belasting' over iemand brengt (d.i. neurotische en klachten als gevolg van contacten met occultisten, gepaard gaande met paranormale verschijnselen en een sterke concentratie van de stoornissen in het godsdienstige leven).
Punt (a) is niet van toepassing; daarvoor is het getover in de Potterboeken te veel kinderlijke persiflage, die met de echte magie weinig of niets te maken heeft. Punt (b) is evenmin van toepassing; niemand kan, zoals gezegd, occult belast raken door het lezen over tovenaars en door het spelen met kindertoverspullen. Als het anders was, zouden bijna alle westerse christenen door Donald Duck, de Smurfen en Asterix - om van Hamlet, Macbeth en Faust maar te zwijgen - allang occult belast zijn geraakt.
Zoals Visie-redacteur Arie Verhoef het in zijn artikel over de Potterboeken ('Niet vluchten voor Harry Potter', CV Koers, dec. 2000, pag. 62-64) terecht uitdrukte: het toveren van Harry Potter is niet te vereenzelvigen met het toveren waarvan God een afschuw heeft; het is bij Rowling slechts een hulpmiddel om de lezer te laten zien hoe wij als moderne maatschappij functioneren. Verhoef: 'Een akelige surftocht langs de sites van de Anti-kerk levert geen spoor van satanisch Pottertriomfalisme op'. De scheiding tussen de werkelijke wereld en de fantasiewereld biedt kinderen voldoende afstand om de eventueel enge dingen te verwerken (al vindt Verhoef blijkens een recente Visie-recensie die scheiding in deel IV minder worden). Er komt in wezen niets occults in de Potterboeken voor. Zo zei ook onze mederedacteur Henk P. Medema in een recente toespraak tot de Samenwerkende Christelijke Boekhandelaren over de Potterboeken: 'de heksenjacht ten spijt die sommige orthodoxe christenen geopend hebben, zijn het geen occulte boeken.' Wie Panoramix in Asterix al 'occult' noemt, zal van de uitspraak van Verhoef resp. Medema niets snappen; maar wie probeert enigszins wetenschappelijk verantwoord met het begrip 'occult om te gaan, snapt het wel.
'Harry Potter: Een uitgelezen kans'
In de genoemde Vuurbaak-uitgave van John Houghton wordt een m.i. veel genuanceerder - een veel minder bangelijk en reactionair - standpunt geboden dan in de B&O-brochure. Houghton citeert Lindy Beam (christen-specialist op het gebied van jeugdcultuur), die (net als Verhoef) zegt: 'kinderen die lezen over Harry zullen waarschijnlijk weinig of niets te weten komen over de werkelijke wereld van het occulte' (pag. 9). Het 'spiritueel verkeerde aan Harry Potter' ziet zij niet zozeer daarin 'dat er gelonkt wordt naar duistere bovennatuurlijke krachten', maar dat er juist 'helemaal geen enkele vorm van bovennatuurlijke macht of morele autoriteit erkend wordt' (pag. 9v.).
Na zelf de Potterboeken gelezen te hebben vind ik mijn eigen kritische oordeel verrassend goed bij Verhoef en Houghton terug. Hier geen ongenuanceerd 'nee' (alsof je met verbieden iets bereikt!), hier geen zware overdrijvingen die de beoordeling ongeloofwaardig maken, maar precies wat de ondertitel van Houghtons boekje zegt: een 'uitgelezen kans om onze kinderen bij hun ontwikkeling te begeleiden' (pag. 11). Hij betoogt dat de wereld van Harry Potter er één is 'waar de scheidslijnen tussen goed en kwaad duidelijk getrokken zijn en waar het goede uiteindelijk zal overwinnen, omdat een systeem van waarden en normen de basis van die wereld vormt' (pag. 13). Dat lijkt me terecht! Al zijn die waarden en normen niet expliciet-christelijk, en al worden ze ook door de helden van het verhaal wel eens overtreden, ze functioneren wel degelijk.
Magie als literair hulpmiddel
Houghton (pag. 16v.) stelt wel de terechte vraag of Rowling nu per se van 'magische' zaken gebruik moest maken om haar verhalen op te vullen; kon dat ook niet met moderne technologie, science fiction of gewone kinderlijke vindingrijkheid? Rowling zal daar ongetwijfeld op antwoorden dat dit haar eigen vrije keuze is, en dat ze er niets bijzonders mee bedoelt, juist omdat ze helemaal niet in magie gelooft. De magie is hier een literair hulpmiddel, meer niet. Als christen kun je daar ongelukkig mee zijn - maar je mag er ook niet méér achter zoeken dan er werkelijk achter zít. Ook christen-schrijvers als C.S. Lewis (in zijn Narnia-verhalen voor kinderen) maakt gebruikt van magische symbolen, zonder dat hij simpelweg om die reden ervan verdacht kan worden kinderen tot magie te willen aanzetten.
Mythisch en mythologisch
Opmerkelijk vind ik het hoe Houghton een 'mythische' structuur in de Potterboeken aanwijst die z.i. ook aanwezig is bijv. in de Odyssee, de Arthur-legenden, de reizen van Sindbad (Duizend-en-een-nacht), en meer recent in Tolkiens In de ban van de ring en in films als De tovenaar van Oz en Star Wars, en vooral... in de Bijbel zelf (pag. 33vv.). Houghton betoogt dat de Bijbel wel mythisch, maar niet mythologisch (in de zin van fictief) is. Zijn terminologie is beslist niet correct, zelfs verwarrend, want Houghton legt nergens uit hoe hij 'mythisch' precies definieert. Maar zijn bedoeling lijkt me wel duidelijk: met mythisch bedoelt hij het tegenovergestelde van het soort kinderboeken dat sommige christen-critici lijken te wensen: gladjes, veilig, logisch, braaf, fantasievrij en dus oninspirerend. De Bijbel is 'echt gebeurd', maar het is ook een bijzonder 'spannend verhaal'. Zeker, de Bijbel gaat van een waar, en de Potterboeken van een deels onbijbels wereldbeeld uit - maar beide hebben een spannende, inspirerende, bepaald niet 'veilige' en zeer inspirerende narratieve (verhalende) structuur. (C.S. Lewis sprak daarom zelfs van de 'diepere magie' van het kruis van Christus.)
Verschillende moraal
Houghton legt m.i. goed uit hoe men de bezwaarlijkheid van het deels onbijbelse wereldbeeld van de Potterboeken kan inschatten (pag. 37-41). Daarover kunnen de meningen uiteengaan. Ten eerste: de Potterboeken gaan wel degelijk uit van een zekere moraal - maar hoe 'sterk' is die moraal? In welke mate spoort zij met een christelijke moraal? Ten tweede: is het juist, wat Houghton zegt (pag. 39), dat Jezus ook 'magisch' is!? Is dit wenselijk taalgebruik? Erachter zit de vraag: hoe verhoudt de 'witte magie' (de aanwending van bovennatuurlijke krachten voor positieve doeleinden) zich tot de bijbelse wonderen? Kan witte magie ooit uit God zijn? Daarover denkt enerzijds de B&O-brochure m.i. te negatief en anderzijds Houghton te gemakkelijk. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd, omdat een christelijk paradigma voor de parapsychologie naar mijn weten nog nooit behoorlijk en vakkundig is uitgewerkt (vgl. mijn De zesde kanteling, p. 514-520). Maar zelfs al zou witte magie ooit uit God zijn, dan nog ontbreekt in de Potterboeken een wereldbeschouwing waarin God uiteindelijke de dragende grond van de moraal en van alle menselijke handelen is. In dat opzicht ziet Houghton (m.i. terecht) toch een wezenlijk (zij het impliciet) verschil met de genoemde boeken van christenen als Tolkien en Lewis (pag. 49, 57). Rowling is én literair én moreel verre de mindere van deze twee grote Britse schrijvers.
Houghton ziet nog meer bezwaren, zoals het elitaire karakter van de Potterboeken: het contrast - en de strikte 'apartheid' - tussen de wereld van de Dreuzels en die van de tovenaars (pag. 58vv.). Eens een Dreuzel, altijd een Dreuzel; er is voor deze mensen geen hoop (behalve dat ze af en toe kinderen krijgen die wel magisch begaafd zijn, zoals Hermelien) en er wordt door de tovenaars diep op neergekeken. Maar m.i. slaat ook Houghton af en toe een beetje door: 'Harry's wereld is zuur, bleek, grauw en somber. Het kwaad ligt op de loer en er heerst een sfeer van morele dubbelzinnigheid. (...) Iedereen is door zijn geboorte gedoemd tot een leven vol angst voor het kwade.' Kom nou, zó grauw en somber ervaar ik de boeken niet. Maar het horror-element is zeker sterk aanwezig; en Verhoef, in zijn recente recensie van Potter IV in Visie, heeft gelijk als hij zegt dat de boeken steeds grimmiger worden. Wat dat betreft is er trouwens een parallel met Tolkien: wat begon als een kinderboek (De Hobbit), groeide uit tot een grimmig grote-mensenboek over de eindeloze strijd tussen goed en kwaad (In de ban van de ring).
Houghtons boekje eindigt met een m.i. goed slotadvies (hst. 7): het heeft geen zin te proberen je kinderen het lezen van dit soort boeken te verbieden. Ze groeien nu eenmaal op in een postmoderne, neopagane (nieuw-heidense) wereld, waarin dit soort denkklimaat heel gewoon is. Laat de (oudere) kinderen de boeken lezen, maar praat er met hen over, ontwikkel hun kritische zin, breng hun het verschil tussen de Potter-hocus-pocus en de echte magie bij, en vooral: leer hen deze verhalen te vergelijken met het meest grootse Verhaal ooit geschreven: het Evangelie. Afgezien van enkele m.i. zwakke punten is het boekje van Houghton een bruikbare introductie tot de problematiek rond Harry Potter.
Bibliografie:
- Anoniem, Herrie om Harry: Hoe gaan we om met de boeken van de schrijfster Joanne K. Rowling? Amersfoort: Uitgave Stichting Bijbel & Onderwijs (B&O), [2000].
- Berger, Klaus R., Harry Potter: Zauberlehrling des 21. Jahrhunderts. Wuppertal: Verlag und Schriftenmission der Evangelischen Gesellschaft für Deutschland, 2000 (124 pag.).
- Houghton, Harry Potter: Een uitgelezen kans, vert. uit het Engels. Barneveld: De Vuurbaak, 2001 (80 pag., fl. 17,50). Medema, H.P., 'Uw volgende klant is Harry Potter...', Op de Hoogte 8, nr. 3 (2001), p. 16-19.
- Verhoef, Arie, 'Niet vluchten voor Harry Potter', CV Koers, dec. 2000, pag. 62-64.
Uit: Bijbel en Wetenschap (website) december 2001
Tijdschrift van de Evangelische Hogeschool - www.evangelischehogeschool.nl
Email: b-w.eh@solcon.nl