Deze filosofische stroming is ontstaan door de vraag hoe kennis tot stand komt, het is dus een kennistheoretische stroming. In deze stroming wordt ervan uitgegaan dat bij het verwerven van kennis het waarnemen – dus het zintuiglijke of empirische – van doorslaggevend belang is. Zonder eerst waar te nemen kan er geen kennis ontstaan. Dit is in tegenstelling tot het daarvoor ontstane rationalisme dat er vanuit gaat dat we ook kennis kunnen hebben zonder dat we daarvoor eerst hebben waargenomen. Volgens het rationalisme bezit de mens ook aangeboren ideeën zoals ideeën over ruimte en tijd of oorzaak-gevolgrelaties.
De Engelse filosoof John Locke wordt gezien als de grondlegger van het empirisme maar eigelijk gaat het empirisme van start bij Aristoteles. Hij was de eerste grote filosoof/wetenschapper die een enorme belangstelling had voor de waarneembare werkelijkheid. Hij verzette zich ook tegen elke gedachte of theorie die strijdig was met de waarneembare werkelijkheid.
Maar nu Locke, ondanks dat Aristoteles het Empirisme aanving is Locke toch wel de belangrijkste figuur. Locke ontkende dat er aangeboren ideeën bestonden. Hij dacht dat we bij de geboorte nog niets wisten, onze hersens zijn dan een schone lei, oftewel een tabula rasa. Alles wat door de zintuigen op die lei geschreven worden kunnen we de ideeen noemen. Het gaat hierbij niet alleen om het waarnemen maar ook om het bewust worden van dat wat we waarnemen.
Ander Emipisten van Lockes tijd zijn Hume en Berkeley. Het positivisme van Comte is ook sterk empiristisch te noemen. Het Empirisme vond veel weerklank bij de natuurwetenschappen. Ook toont het empirisme veel verwantschap met het materialisme en daarom ook het fysicalisme. Latere vertegenwoordigers van het Empirisme waren Mach, Carnap en Popper.