Geschiedenis van Java (tot begin 19de eeuw) In de Midden-Javaanse periode (8ste tot de 10de eeuw) was sprake van een hindoeïstisch-boeddhistisch rijk dat zijn centrum in het binnenland van Midden-Java moet hebben gehad (getuige de overblijfselen van o.a. de Borobudur). Het rijk was gebaseerd op de klassieke rijstcultuur. Rond 1.000 verschuift het centrum naar Oost-Java (het stroomgebied van de Brantas-rivier). Van hieruit was een directer contact met de zee mogelijk. Het rijk van Majapahit (1294 tot 1527) vormde het hoogtepunt van de Oost-Javaanse periode in de Javaanse geschiedenis. Het was een mengsel van een klassieke rijststaat en een maritieme staat. Mojopahit kende een overzeese expansie met als gevolg dat in theorie, Majapahit bijna het hele gebied van het huidige Indonesië beheerste. Met de intensivering van de zeehandel in de 16de eeuw en de komst van de islam verplaatste het zwaartepunt zich naar de noordkust van Java, waar een keten van havensteden ontstond met islamitische heersers die zich losmaakten uit het gezag van Majapahit, welke staat dan ook ten onder ging. Aan het eind van de 16de eeuw kwam in het hart van Midden-Java (rond het huidige Solo (Surakarta) en Yogyakarta) een nieuwe macht op, het rijk Mataram. De kracht van dit nieuwe centrum was gelegen in de beheersing van de rijstcultuur van het eiland. Toen de VOC op Java arriveerde en Batavia stichtte, maakte het rijk Mataram een snelle expansie door. Alleen het Westen (waaronder Batavia) werd niet door Mataram beheerst. De architect van de Mataramse expansie was sultan Agung (de grote sultan), die regeerde van 1613 tot 1646. Enkel het westen van Java, met Banten als belangrijke stapelplaats van specerijen, viel niet onder zijn gezag. Ten oosten van Banten hadden de Nederlanders een fort gebouwd (dit werd later Batavia). Aanvankelijk waren de Nederlands-Javaanse contacten vriendschappelijk. Sultan Agung wilde de Nederlanders als bondgenoot inschakelen om Banten te onderwerpen. De VOC weigerde waarna de sultan in 1628 en 1629 probeerde om Batavia te veroveren, hetgeen mislukte. De opvolger van sultan Agung, de Susuhunan (verheven, ook wel Sunan) Amangkurat I, die regeerde van 1646 tot 1677, had minder charisma en trachtte het rijk middels een schrikbewind bijeen te houden. Dit lukte hem niet; het Javaanse rijk begon uiteen te vallen. De banden met de Nederlanders werden weer aangehaald om van hieruit geen moeilijkheden te krijgen. Na 1654 ontstonden er weer problemen omdat de vorst probeerde de handel van de kuststeden opnieuw onder een koninklijk monopolie te stellen. Hierdoor ontstond grote schade voor de VOC. Van 1675 - 1677 was sprake van een opstand onder leiding van de Madurese prins Trunajaya. In 1677 naderden de opstandelingen de kraton; de Susuhunan vluchtte en overleed. Vanaf dat moment raakte de VOC betrokken bij het gezag over Java. Na de dood van Amangkurat I riep zijn zoon, de kroonprins, de hulp van de Nederlanders in. Omdat de opstandelingen al in 1676 de voor Nederland belangrijke noordkustgebieden begonnen te plunderen was na een langdurige interne discussie als besloten om beperkt militair in te grijpen. Dit echter alleen om de belangen aan de Noordoostkust veilig te stellen. De VOC verleende steeds weer steun aan de in haar ogen legitieme Javaanse vorst waarbij steeds verdergaande concessies werden geëist die uitliepen op rechtstreekse verwerving van grondgebied. Geschiedkundigen zijn het niet eens over de rol die de VOC speelde bij het steeds verder uiteenvallen van het Javaanse rijk. M.C. Ricklefs beschouwt de VOC als een bedervende factor terwijl anderen als L.W. Nagtegaal en W.G.J. Remmelink, de oorzaak meer in de instabiliteit van de Javaanse machtsverhoudingen zochten. In 1755 werd als gevolg van een opvolgingsprobleem het Mataramse rijk in twee delen gesplitst: Surakarta (het huidige Solo) en Yogyakarta. Sindsdien heerste er op Midden-Java een betrekkelijke vrede. De VOC beheerste de gebieden aan de noordkust. De inkomsten daaruit wogen echter niet op tegen de kosten van de oorlogsuitgaven die er in de eerste helft van de 17de eeuw nodig waren om dit gebied te pacificeren. De machtspositie op Java t.o.v. de beide Javaanse rijken werd dan ook minder. Bij het uitbreken van de 4de Engelse Zeeoorlog moest zelfs een beroep op de Javaanse vorsten worden gedaan voor militaire ondersteuning. De Javaanse economie herstelde zich sterk. Door de gebrekkige belastinginning kwam dit vooral ten goede aan de Javaanse boerenstand (sikep). De voedselproductie nam sterk toe evenals de bevolking. De rurale economie begon in snel tempo verder te monetariseren. Door zowel het herstel van het gezag als het economisch herstel werden de Javaanse rijken in de eerste decennia van de 19de eeuw een geduchte tegenstander voor de Nederlanders. bron: wikipedia |