1.
<o:p> </o:p>
Ik stap de ruimte in. Overal lichten en dansende lichamen. Barmeisjes die met flessen zwaaien en glimlachen naar de macho’s aan de bar. De muziek dreunt door mijn hoofd. Ik loop verder en verder naar achter. Plotseling schiet mijn vuist uit en raakt vol een gezicht. Ik hoor mezelf naar hem schreeuwen. “Blijf met je tengels van me af!” En nieuw nummer begint. Mensen gillen. De hitte is drukkend, en de lucht ruikt naar een mix van bacardi, bier, zweet en mannenparfum. Ik ben nu bijna aan het einde van de ruimte gekomen. Mijn hakken raken iemands voeten, maar ik mag nu niet stoppen. Ik klop op de deur, zoals afgesproken. Een bord erboven zegt: “nooduitgang”, hoe misleidend. Er word niet opengedaan, dus maak ik de deur zelf maar open. Ik kijk vlug om me heen. Niemand let op mij. Snel loop ik de deur door en sluit hem achter me. Stilte. Een lange gang strekt voor me uit. Het wordt verlicht door vlammende fakkels. Hoe overdreven. Mijn hakken klikken en het geluid galmt door de gang. Een deur die ik niet heb opgemerkt door de duisternis opent zich. Een zwart gewaad noemt mijn naam. Ik keer om en loop richting het gewaad. Zonder iets te zeggen volg ik het door meerdere gangen en deuren. Stilte overal. Het gewaad opent een zoveelste deur, maar verbazingwekkend genoeg toont het niet nog een gang. Het gewaad sluit de deur achter mij. “Je bent laat” klinkt het vanachter een bureau. Ik neem de tijd de ruimte te bekijken. De muren zijn rood als bloed. Boekenkasten toren boven me uit. Portretten van onbekenden met vreemde gelaatsuitdrukkingen hangen waar er nog plaats over is. De persoon waarmee ik had afgesproken bevind zich op een verhoging. Achter de persoon hangt een levensgrote vlag met het teken waar ik altijd met zoveel haat naar heb gekeken. “Vroeg zijn is niet mijn stijl.” Ik loop naar het bureau. “Ga zitten.” Klinkt het meer als een bevel dan een vriendelijke uitnodiging. Ik neem plaats. Een rood gewaad met cape wordt afgeworpen. Een gezicht met ernstige uitdrukking staart me aan. Ik staar terug. Het staat op.Het begint heen en weer te lopen. Ik sta mezelf toe te walgen om de vertoning, maar dit niet te laten merken. “We hebben een lastige situatie hier, Velda. En wij zullen samen moet werken om dit probleem op te lossen.” “Ik zie niet hoe. Onze samenwerking zou een smet op ieders reputatie zijn. Jij hebt me voor iets anders nodig Tramonzo.” Hij draait zich om als door een wesp gestoken en briest naar mij. “Zonder mijn hulp zal de vloek jouw hele coven vernietigen! Dus wat meer respect zou op z’n plaats zijn!” Zijn vuist raakt de tafel. Ik zwijg, maar niet als verslagen. Tramonzo lijkt te kalmeren. Hij gaat weer zitten. “Zaria zal die vloek uitspreken, ze heeft het me persoonlijk verteld. En niemand zal haar stoppen.” Niets nieuws komt mij ter oren, ik krijg de neiging te gapen. “En waarom zou jij me daartegen willen beschermen?” Licht ontvlambaar als hij is zie ik hem zichzelf in toom proberen te houden. “Jij gaat hier spijt van krijgen. Jouw coven en alle andere heksen erbij kunnen nog niets verrichten tegen de macht van Zaria.” Ik zucht. “Je beantwoordt mijn vraag niet.” Hij speelt met een athame wat op z’n bureau ligt. Laat het lemmet van het mes door zijn vingers glijden. “Ik wil van Zaria af. Ze steelt mensen van mij en behandeld me niet meer als gelijke maar als slaaf. Als wij samenwerken, kunnen we de vloek laten afketsen en haar de vloek geven.” “Ik zal erover nadenken.” Ik sta op en loop naar de deur. “Is dat alles?” Klinkt een verbaasde stem vanachter mij. Ik antwoord niet, open de deur en stap naar buiten. Ik volg het gewaad tot aan de laatste gang en open de deur. Het lawaai bombardeert mijn oren.De stank dringt weer in mijn neus. Ik loop op topsnelheid naar de uitgang. God wat haat ik het hier.