| Het Volk van de Godin Dana De Tuatha De Danaan kwamen naar Ierland vanaf de eilanden in het noorden, niet met boten, noch marcherend over land, maar doelbewust door de lucht zwevend als een leger van geesten, zachtjes neerdalend op de velden op de eerste dag van mei. Met zich brachten zij hun vier befaamde magische bezittingen: De Lotssteen, de flitsende speer van de strijdergod Lugh, het zwaard van Nuada, en de grote ketel van hun almachtige god Dagda. Zij brachten licht met zich mee, prachtig bewerkte en versierde zwaarden en speren, waarbij die van de toenmalige bewoners van Ierland, de Fir Bolgs ruw en pover leken. De Fir Bolgs waren een vreedzaam volk, maar ze werden jaloers en achterdochtig ten opzichte van de nieuwkomers. De Fir Bolgs verklaarden de oorlog aan de Tuatha De Danaan. Er werd een grote slag gevochten nabij de westkust waarbij de Fir Bolgs grote verliezen leden. De kinderen van de godin Dana veroverden geheel Ierland met de overwinning, maar ze stonden de Fir Bolgs toe om in de westelijke provincie Connacht te blijven. Niet allen volgden echter de het pad van de Tuatha De Danaan. In de strijd had de koning van de Danaan, Nuada zijn arm verloren. Dit betekende dat hij van de troon gezet werd, daar volgens de wet van de Danaan de koning geen enkel fysiek defect mocht vertonen. In Nuada's plaats kozen zij Bris, wiens moeder afkomstig was van het kwade, vormloze ras der Formori. Bres bleek al snel een onderdrukkende en nukkige persoonlijkheid te zijn, niet geschikt om te regeren. Terwijl hij in Tara op de troon zat regelde hij de zaken in Ierland zo slecht dat het de Formori lukten om iets van het initiatief en het psychologisch voordeel terug te winnen wat ze lang geleden aan de Nemedi verloren hadden. Terwijl zij een succesvolle guerrillastrategie ontwikkelden, begonnen zij de nederzettingen van de Danaan te overvallen. De Danaan realiseerden dat zij van Bris af moesten komen en dus ... de dichter Carbery zette hem voor gek, een lot dat alle mensen met gezag meer vrezen dan de dood. De Tuatha de Danaan gingen vervolgens in vele slagen de strijd aan met de Formori, waarbij vele helden en goden van het oude Ierland ontstonden. Bij de tweede slag bij Moytura eindigde de kwaadaardige heerschappij van de Formori. De verzen die de barden over deze slag maakten verhaalden allen over het geluid als van de donder dat over het slagveld raasde toen de schilden van de vijand in stukken braken, hoe de wind had gezongen toen de speren door de lucht raasden, en hoe de zwaarden als gevorkte bliksems, neergesmeten door de vingers van de goden, hadden geflitst. Na vele honderden jaren van vrede, op de eerste dag van mei, landde er een peloton van lange en mooi gevormde mannen op een kusstrook in het zuidwesten van Ierland. Het waren allen strijders, gekomen vanuit Spanje, zonen van de koning Mil. Zij sloegen iedere aanval die de Tuatha De Danaan op hen deden af. Uiteindelijk werd er een vrede overeen gekomen en werd het land tussen hen verdeeld. Alles onder de grond werd aan de Danaan gegeven. Zij leven nog steeds daar beneden, als onderaardse geesten, ze hebben nog steeds hun magie en ze beoefenen nog steeds hun tovenarij en zij vertellen verhalen afkomstig uit lang vervlogen tijden. Zij staan nu bekend als het Elfenvolk. Heel bovengronds Ierland werd van toen af aan geregeerd door de lange mannen uit Spanje, de Milesiërs, of, zoals we ze nu kennen, de Kelten.  Vertaal vanuit Legends of the Celts, door Frank Delaney Dreki |